top of page

Ideeën vogelvrij, maar mensen veilig

Bijgewerkt op: 26 feb.

Naar aanleiding van de schorsing van twee medewerkers van de Universiteit van Antwerpen omwille van vermeend racisme ben ik het verplicht aan mijn liefde voor het grillige, onhandige, confronterende ding dat een idee heet om mijn duit in het zakje te doen. Met een open brief aan het rectoraat van de Universiteit Antwerpen.


Geachte professor Van Goethem, mijnheer de rector,


Ideeën zijn lastige dingen. Ze zijn per definitie onvolmaakt want bedacht door onvolmaakte wezens. Ze rammelen aan alle kanten, hebben een beperkte houdbaarheidsdatum en zijn nooit een eindpunt. Geen wonder dat uw studenten het een hele opgave vinden om ze te bedenken, er woorden aan te geven en ze op een open en kwetsbare manier bloot te stellen aan wat de wereld ervan vindt.

Ideeën zijn veelal onbeholpen, breekbaar, zwalpend en niet zelden haast onverdraaglijk onwetend, net als hun bedenkers. Maar ze zitten ook boordevol hoop, verdoken schoonheid, onontgonnen paden naar mooier en beter, net als hun bedenkers.

Geen geschiktere arena dan de universiteitscampus voor het bekwamen van jonge geesten in de olympische discipline van het idee – waarbij deelnemen van iedereen een winnaar maakt. Een plaats waar jij als persoon veilig bent, maar je ideeën intentioneel vogelvrij zijn verklaard.

Je studententijd is een periode waar je denken helemaal uit elkaar wordt geschroefd en je in staat wordt gesteld jezelf weer op te bouwen, staand op de schouders van de briljante geesten die jou voorgingen. Een plaats waar je gaat beseffen dat het pas de moeite loont jezelf te blijven, wanneer je jezelf geworden bent.

Ideeën vogelvrij, maar mensen veilig. Klinkt logisch en verdedigbaar, toch? Tot zo’n principe aan de praktijk wordt getoetst.

Ik herinner me als de dag van gisteren een gesprek in mijn klas. (Ja, ik stond ooit voor de klas. Lees er gerust mijn professionele traject op na) Een jongeman refereerde - langs zijn neus weg - aan jonge vrouwen als ‘kutjes’. Toen ik hem vroeg me te helpen die woordkeuze te begrijpen, vertelde hij me dat zijn vader hem dat zo had geleerd. Dat Belgische meisjes (lees: blanke, niet-moslimmeisjes) ‘kutjes’ waren. Oefenmateriaal. Sekspoppen op wie je je lusten mocht botvieren tot je een deftig meisje (Lees: maagdelijk moslimmeisje) tegenkwam met wie je zou huwen.

Voelt u ook de knoop in uw maag? Hoe alles in uw lijf en leden in de weerstand gaat? Voelt u wat er fysiek met u gebeurt bij het horen van zulk een flagrant seksisme en racisme, bij zulk een onpeilbaar diepe minachting? Kunt u zich voorstellen wat er in mijn hoofd en hart gebeurde als vader van twee ‘kutjes’?

De neiging om vanuit mijn machtspositie als leerkracht de bazooka boven te halen was levensgroot. Geloof het maar. Want wat let je om dit soort haatpraat keihard de kop in te drukken wanneer je én de morele bovenhand én de arbitraire middelen daartoe hebt? Het was zo makkelijk, verleidelijk en perfect verdedigbaar om dit stuk vreten aan de schandpaal te nagelen, te schorsen, definitief van school te sturen, om zijn rotkop spreekwoordelijk op een spies aan de schoolpoort als voorbeeld aan iedereen te tonen. Dit is wat wij doen met zulke elementen! (Ik gebruik die woorden omdat ik het in dat moment oprecht zo voelde.)

Wat je tegenhoudt? Simpel, maar écht niet eenvoudig: je verantwoordelijkheidsbesef.

Het ‘kutjes’-incident werd de aanleiding tot gesprekken met de jongeman en de klasgroep die wekenlang duurden. Discussies waarbij op geen enkel moment werd geroepen of gescholden, waar geen enkel verwijt werd gemaakt en vooral, waarbij niemand te kijk werd gezet. Het werd een aartsmoeilijke, maar oh zo nodige tocht langsheen de rauwe grens waar aantoonbaar racisme tegen al te gemakkelijk zelfmedelijden aanschurkt. Over hoe we op zo’n plek waren aankomen, over hoe we elkaar daar in de ogen konden leren kijken en hoe we verder konden. Het werd een potpourri van stiltes, van hardop lachen om onszelf en met elkaar, van pijnlijke tranen en energieke high-fives. Die gesprekken losten niet alles op, verre van, maar ze verzetten wel de bakens. Ze creëerden een plek waar ideeën vogelvrij waren, maar mensen veilig.

Het is op diezelfde plek waar ik een oom van me al wel eens tegenkom. Een man die zijn haat ten aanzien van alles wat ‘bruin’ is, draagt als een ereteken. En of hij weet dat ik hem daar nooit ofte nimmer in zal volgen. Maar hij weet ook: ‘met u kan ik deftig klappe’ (Antwerps voor, dat hij zich gehoord en gewaardeerd weet wanneer we praten met elkaar). Hoor zijn verhaal en je ontdekt al gauw dat zijn haat eigenlijk boosheid heet. Hoor het verhaal achter zijn verhaal en je ontdekt dat zijn boosheid eigenlijk verdriet heet. Intens, oprecht, menselijk verdriet. Het daarover kunnen en mogen hebben samen. Begrijpen hoe het één leidt tot het ander. Het lost niet alles op, verre van, maar het verzet de bakens. ‘Ik respecteer wa gij doet. Ik zou het eerlijk gezegd zelf niet kunne’ perste hij er een tijdje geleden uit. Vertel mij dat dat geen vooruitgang is.

Ideeën vogelvrij, maar mensen veilig.

Waarom? Omdat ondergronds de laatste plek is waar je ideeën naar wil verbannen. Omdat ze onuitgesproken nooit kunnen ontgiften. Omdat ze onzichtbaar nooit kunnen bijdragen tot de mooiere, betere versie van onszelf. Weggemoffeld in de krochten van onze psyche gaan ze etteren en verworden ze tot de kanker die je trachtte te bestrijden.

Afgelopen week, in uw instituut: een private uitwisseling tussen twee medewerkers wordt onwetend gefilmd en met god-weet-met-welke-intentie op social media gesmeten. De pers spring erop en vist gretig de vetste krenten uit de pap. (Ik was tevens ooit journalist en heb een vrij goed beeld bij hoe dat in zijn werk gaat)

En welke keuze maakt u? U haalt per direct, zonder enige reserve uw bazooka boven! Schorsing! Uitbetaling van loon lijkt onderwerp van discussie! Publieke en onvoorwaardelijke excuses! Verplichte diversiteitscursus! Een Unia traject! En eentje bij het Hannah Arendt Instituut! Aanscherping van gedragscodes! De hele santenboetiek.

Eerlijk? Ik zie uw antwoord op een simpele vraag met oprechte nieuwsgierigheid tegemoet: Welke les hebben deze professor en praktijk-assistent geleerd? Hoe respect te hebben voor hun medemens? Voor zover ze dat al niet hadden. Of om angst te hebben voor de arbitraire toorn van hun overste? Voor zover ze dat al niet hadden.

En welke les leren uw personeelsleden en uw studenten precies?

De spitsroede die uw medewerkers dienen te lopen, heeft alvast een bijzonder kwalijk neveneffect: dat hun ‘oprechte excuses’ de waarde hebben van een bekentenis onder dwang. Geen enkele. Ook dat heeft uw beslissing hen ontnomen. En bovenal, in uw Sturm und Drang bent u één cruciaal ding uit het oog verloren: de bestaansreden van uw universiteit – leren omgaan met de onvolmaaktheid van ideeën. Waarbij het idee vogelvrij is, maar de mens veilig.

Ideeën zijn lastige dingen. Ik beschouw het daarom als een voorrecht om ieder jaar enkele uren een handvol van uw studenten te mogen begeleiden in het experimenteren met hun eigen en elkaars ideeën. Ze vinden het aartsmoeilijk. Ze vinden het heerlijk.

Ik zal mijn bescheiden bijdrage blijven leveren. Omdat mijn bazooka bovenhalen ten aanzien van uw beslissing te makkelijk, verleidelijk en verdedigbaar is. (De onkostenvergoeding die ik voor mijn bijdrage krijg, ging sowieso al naar een van uw eigen goede doelen.)

En omdat ik u wil uitnodigen uw verantwoordelijkheid te nemen. Uw échte verantwoordelijkheid: om uw studenten, uw personeel en de maatschappij oorverdovend duidelijk te maken: ideeën - ook de mijne – zijn vogelvrij. Maar jij bent hier veilig.

Ik wens u oprecht de moed daarnaar te handelen.

Hoopvol,

Karl Raats, zaakvoerder, Pinching the Ostrich


Lees, deel en reageer op dit artikel op LinkedIn

Comments


bottom of page